Gouden eeuw in Leiden

Leiden kent eind 16 e eeuw en in de eerste helft van de 17e eeuw een enorme bevolkingsgroei. Deze groei is toe te schrijven aan de toestroom van immigranten na het beleg en ontzet van Leiden (1574). Dan krijgt de lakennijverheid nieuw leven ingeblazen. Duizenden calvinisten uit de Zuidelijke Nederlanden vinden in Leiden een veilig onderkomen. Ze zijn gevlucht voor de Spaanse katholieke overheersing. Ze nemen nieuwe soorten laken met zich mee, zoals saai, grein, fustein en baai. Het zijn welkome alternatieven voor het oude, degelijke en dure Leidse laken. De lakennijverheid floreert opnieuw en met de welvaart neemt ook de vraag naar schilderijen toe.

De Nederlandse zeventiende eeuw is een periode van ongekende bloei, ook voor kunstenaars. Maar er is wel wat veranderd. Een eeuw eerder zijn kerk, adel en stadsbestuur nog de belangrijkste opdrachtgevers. Nu is dat de burgerij, rijk geworden door de handel. Portretten, stillevens, landschappen, scènes uit het dagelijks leven en historiestukken zijn in trek. Het ene ‘genre’ heeft meer aanzien dan het andere. Het historiestuk staat met stip op één. Want om een verhaal uit de geschiedenis, de bijbel of de mythologie uit te beelden moet een schilder alle facetten van de schilderkunst tot in de puntjes beheersen. Een historieschilder kent de klassieke literatuur. Hij weet hoe het menselijk lichaam in elkaar steekt en kan emoties realistisch weergeven. Natuurlijk behoren ook perspectief en het schilderen van landschappen en voorwerpen tot zijn vaardigheden. Toch streeft niet iedere kunstenaar ernaar om historieschilder te zijn. En dat hoeft ook niet. In de zeventiende eeuw zijn ook de andere genres populair. De meeste schilders kiezen ervoor in één of twee genres uit te blinken.